Het schaakcafé op het Leidseplein — gezien door de ogen van een go-speler

Voor de visie van een bridger (en een paar hele mooie zwart-witfoto's) zie hier.

Naast Paradiso is er geen plek op aarde waar ik zoveel plezier beleefd heb als in het oude schaakcafé op het Leidseplein in Amsterdam. Het schaakcafé, ook wel gewoon 'het koffiehuis' of (door bridgers) 'Het Hok' genoemd maar dat eigenlijk De Oude Schouwburg heette, was inderdaad een hok, van zo'n 50 m2, bedompt en rokerig, maar voor mij — zo tussen 1965 en 1972 — als beginnend schaker en later vooral als go-speler, een soort walhalla waar je altijd terecht kon voor een partijtje.

Zo halverwege de jaren zestig zullen er in heel Nederland niet veel meer dan een paar honderd go-spelers geweest zijn, maar het percentage daarvan dat regelmatig, zo niet dagelijks, in het schaakcafé kwam moet in de tientallen hebben gelopen. En dat waren niet de minsten. Ik noem er een paar. In de eerste plaats natuurlijk Max Rebattu, (toen al) 4e dan, jarenlang de beste go-speler van Nederland en ook een van de beste van Europa, en behalve go-speler, ook een bridger van wereldklasse, een hele goede schaker en iemand die je ook bij allerlei andere kaartspelletjes — of het nu hartenjagen, miezemauzen, toepen of bonken was — liever niet als tegenstander had. Als je tenminste wilde winnen. Nummer twee in de pikorde — wat go betreft althans — was Mats Goemans. Mats won, als 2e dan, van iedereen behalve van Max. Nummer drie in de rij was aanvankelijk onbetwist Karel Altena, 1e dan, maar Altena kreeg al snel concurrentie van andere opkomende go-spelers, waaronder ikzelf, mijn leermeester Robert van Zanten en met name ook van Willem Boegem. De laatste kwam op uit het niets, was voordat we het in de gaten hadden 2e dan en uitdager van Max Rebattu in een match om het Nederlands Kampioenschap, en verdween daarna ook weer snel opnieuw in het niets (lees: in de bridgewereld). Een andere opvallende figuur die vrijwel dagelijks in het schaakcafé te vinden was, was Léon Vié. Vié was kenner van zo'n beetje elk spel dat ooit door de mensheid is gespeeld en een van degenen (de andere was Ab Schilp) die go in de jaren vijftig in Nederland hebben geïntroduceerd. Als laatste van dit rijtje beroemdheden noem ik nog Rob Hartoch, schaakmeester, maar een die ook een heel behoorlijk partijtje go kon spelen. (Ik heb ook wel eens met hem geschaakt, maar dat kon ik, zelfs met ácht pionnen voor, niet van hem winnen.)

Andere go-spelers uit het schaakcafé die ik me kan herinneren zijn: Ad Fraanje, Nico Lijsen, Kick Langeweg, Lutz Flechsig, Jan Berkhout, Jan Vonck, Kees Tammens, Henri Boulogne, Takwé, Gerard Kool, Eric Schuttelaar (een toneelspeler die — letterlijk tussen de bedrijven door — heen en weer pendelde tussen de Stadsschouwburg en het schaakcafé) en Peter Groen. En dan waren er nog een paar van wie ik nooit geweten heb hoe ze echt heetten, maar die ik me desalniettemin heel goed kan herinneren en die het hunne hebben bijgedragen aan de altijd fantastische sfeer in het schaakcafé: Hongaarse Charlie en Spaggi (een Italiaanse gastarbeider, die een bij hem passende bijnaam had gekregen).

En nu heb ik alleen nog maar namen genoemd van mensen die zo'n beetje dagelijks in het schaakcafé te vinden waren.

Schrijver/schaker Tim Krabbé was ook iemand die het schaakcafé frequenteerde in de jaren zestig en daar ook (een beetje) heeft leren go-spelen. Ik moet hem daar wel eens ontmoet hebben, maar persoonlijk heb ik hem nooit gekend. In zijn schaakrubriek in het Algemeen Dagblad schreef hij in 2003 een hilarisch stukje over een befaamde match die begin jaren zestig heeft plaatsgevonden tussen de leden van de toenmalige Amsterdamse Go Club en een aantal go-spelers die het spel in het schaakcafé (pas) geleerd hadden. Waarschijnlijk van Léon Vié. De match werd gewonnen door de spelers uit het schaakcafé met 9—1. Zelf was ik nog geen go-speler in die tijd, anders was ik daar zeker bij geweest, al weet ik niet voor welke partij ik zou zijn uitgekomen.

En dan was er nog iemand die in het schaakcafé kwam, maar van wie ik zelfs nog nooit gehoord had voordat Max Rebattu mij onlangs (begin 2019) over haar vertelde: Adelheid van der Most. Ik citeer uit een mail van Max Rebattu: 'Vrij jonge vrouw maar jong overleden. Sterkte ongeveer tweede kyu. Was regisseur bij de televisie.' Dat moet haast wel de eerste Nederlandse vrouw zijn geweest die niet alleen go speelde, maar dat ook op een alleszins behoorlijk niveau deed. Tweede kyu was, zeker begin jaren zestig, bepaald niet zwak!

Dat het in het schaakcafé altijd zo gezellig druk was (niet alleen met go-spelers natuurlijk, maar ook met kaarters, schakers en een enkele dammer; ik meen dat ik Ton Sijbrands er ook wel eens gezien heb) had natuurlijk ook te maken met de absoluut perfecte locatie ervan: midden in de favoriete uitgaansbuurt van studenten en intellectuelen, maar ook van provo's en ander langharig werkschuw tuig. Ik kwam er al gauw vrijwel dagelijks. Pas nadat op 30 maart 1968 Paradiso zijn deuren opende — met al zijn heerlijkheden en verrukkingen — veranderde mijn consumptiepatroon enigszins en kwam ik in het schaakcafé wat minder vaak.

Behalve de cliëntèle en de betaalbaarheid van de consumpties waren het beslist ook de mensen achter de bar, voornamelijk André, Henk en Piet, die aanzienlijk bijdroegen aan de gemoedelijke sfeer in het café. Zo heb ik er nooit het gevoel gehad dat ik, voor de goede vrede, misschien toch nog maar een tweede glas karnemelk moest bestellen, hoewel ik me dat eigenlijk niet kon veroorloven. André, Henk en Piet begrepen kennelijk wel dat een joch van zestien het van zijn krantenwijksalaris niet kan veroorloven om het op een zuipen te zetten. Op het briefje waarop mijn schaarse consumpties werden genoteerd stond overigens de naam 'Dolf' en niet 'Rehm' of 'Robert'. Toen ik eens vroeg, ik meen aan André, hoe ze daar nou bij kwamen, om mij Dolf te noemen, vertelde hij dat dat was omdat ik sprekend leek op een slapie van hem uit zijn diensttijd. Zo komen de bijnamen dus in de wereld! Tot op de dag van vandaag is het schaakcafé de enige plek waar ik ooit een bijnaam heb gehad. Ere wie ere toekomt.

Wat ook bijzonder aangenaam was aan het schaakcafé was de ouderwetse, warme kachel die ze er hadden. Vooral 's winters. Geen 'luchtverversing' (meestal een eufemisme voor een met veel gesuis, gesis en gezoem kunstmatig opgewekte koude valwind) godzijdank, maar gewoon een kachel. Kom dáár eens om in de horeca van tegenwoordig.

Ik kan me nog goed herinneren dat er eens, vlakbij die kachel, een heel bijzondere partij schaak gespeeld werd: Rob Hartoch tegen een 'gewone' schaker, waarbij Rob Hartoch blind speelde en zijn tegenstander het bord gewoon kon zien. Dat was niet iets wat dagelijks gebeurde en het hele schaakcafé zat er dan ook omheen om te zien hoe 'het piepeltje' er door Rob Hartoch zou worden afgehakt. En dat gebeurde ook. En hoe! Ik zie het nog voor me: Rob Hartoch had minder materiaal, maar het stuk dat zijn tegenstander méér had, stond zodanig onhandig opgesteld dat het hem alleen maar in de weg stond en hij er niets aan had. Hij verloor dan ook smadelijk en Hartochs meesterschap werd — voorzover er iemand aan mocht hebben getwijfeld — weer eens op schitterende manier bevestigd.

Een andere gelegenheid van meesterlijk spel — dit keer geen schaak, maar go — was op een middag dat Jan van Frankenhuysen, jarenlang voorzitter van de Amsterdamse Go Club, maar iemand die zelden in het schaakcafé gezien werd, kwam binnenzetten met in zijn kielzog een Japanner, die hij voorstelde als Nagahara, 5e dan professional. Uiteraard werd Nagahara meteen aan het werk gezet. De sterkste speler die verder in het schaakcafé aanwezig was, Mats Goemans — 2e dan en gezien zijn positie nét na Max Rebattu, in het schaakcafé algemeen beschouwd als halfgod — kwam natuurlijk in aanmerking om als eerste tegen Nagahara een partij te spelen. Gezien het enorme krachtsverschil, 2e dan amateur tegen 5e dan prof, kreeg Goemans zes stenen voor. Een halfgod die zes stenen voorgift krijgt? Dat hadden we nog nooit meegemaakt! Het was dan ook sensatie van de bovenste plank. Ik had een plaatsje weten te bemachtigen vlak naast het bord waarop gespeeld zou worden en zat dus eerste rang. Wat zich daar toen voor mijn ogen afspeelde was werkelijk verbijsterend. Goemans kon binnen zestig zetten opgeven! (Dat is heel snel voor een partij go die normaal gesproken zo' n 200 à 300 zetten duurt .) Omdat de partij zo kort geduurd had, kreeg Goemans een herkansing. Maar in die tweede partij gebeurde precies hetzelfde! Onvoorstelbaar. Omdat Nagahara nog wel tijd had voor een derde partij kreeg ik een kans. Ik was natuurlijk nog niet zo sterk als Mats en kreeg dan ook geen zes, maar acht stenen voor. En het wonder voltrok zich: ik won. Met maar twee punten weliswaar, maar winnen is winnen en ik was zo trots als een pauw!

In het schaakcafé gebeurde altijd wel wat bijzonders. Niet zelden door de veelzijdigheid en het wilde enthousiasme voor spelletjes en alles wat daarmee te maken had, van Léon Vié. Op een dag had hij een go-spel meegenomen met niet alleen de gebruikelijke witte en zwarte stenen, maar ook met rode en gele (of blauwe, of groene, dat weet ik niet meer precies) en kwam met het voorstel om 'vierkleurengo' te gaan spelen. Toen we hem vroegen hoe hij aan die gekleurde stenen kwam, vertelde hij dat hij die zelf geverfd had en dat dat nog een hele onderneming geweest was. En dat wilden wij best geloven! Maar Vié zou Vié niet geweest zijn als alles niet perfect op orde was. Ook de regels die je zou moeten hanteren had hij precies vantevoren uitgedacht. Met vier partijen spelen, ieder tegen ieder, zou niet handig zijn, want dat zou maar op allerlei kongsi's uitlopen, dus we gingen spelen met twee teams van twee spelers elk. Wit en geel tegen zwart en rood. Hoe het allemaal precies is afgelopen kan ik me niet meer herinneren, maar wel dat het krankjorum ingewikkeld was.

Het probleem was dat je weliswaar een partner had, maar dat je elkaar nauwelijks kon helpen. Zeker niet in lijf aan lijf gevechten. Wit en geel waren dan wel van dezelfde partij en zouden elkaar dus moeten helpen, maar een witte steen die naast een gele stond pakte wel een vrijheid af van die steen. Met andere woorden, voordat je er erg in had sloeg je niet de stenen van de tegenstander, maar die van je partner!

Het aantal partijen vierkleurengo dat ooit in het schaakcafé (en waarschijnlijk in heel Nederland) gespeeld is, is dan ook beperkt gebleven tot één. En die partij is niet genoteerd. Wel vraag ik me af of de door Vié (die veel te vroeg is overleden) met zoveel moeite geverfde stenen zich misschien nog ergens bevinden. Ik zou best nog eens een partijtje vierkleurengo willen proberen. Maar om zelf stenen te gaan verven ...

De bezoekers van het schaakcafé kon je ruwweg verdelen in drie groepen: de kaarters (vooral jokeren en bridge waren populair, maar er werd ook gebonkt, gehartenjaagd, gemiezemausd, getoept en nog veel meer), de schakers en de go-spelers. De jokeraars waren betrekkelijk eenkennig, maar de andere groepen liepen behoorlijk door elkaar. Iemand als Max Rebattu bijvoorbeeld, wás niet alleen een top-go-speler, een top-bridger, een top-bonker en een goede schaker, maar dééd al die dingen ook met enige regelmaat in het schaakcafé. Zelf was ik niet zo'n allrounder. Het enige waar ik — na verloop van tijd — een beetje goed is was, was go. Als schaker was ik blijven steken op 'net geen beginner meer', van bridge heb ik nooit wat begrepen en als ik aan andere kaartspelletjes meedeed, liep dat steevast uit op een drama. (Alleen met miezemauzen kan ik me herinneren dat ik wel eens de sterren van de hemel gespeeld heb, maar dat moet toeval geweest zijn.)

Elk van die drie groepen had zo zijn eigen uitdrukkingen en jargon. Kaarters hoorde ik vaak zeggen 'sans rancune' (wat zij daarmee bedoelden is mij nooit helemaal duidelijk geworden). Schakers hadden de meest fantastische namen voor allerlei openingen. En go-spelers hadden, behalve hun vaak maar half begrepen en meestal verkeerd uitgesproken Japanse termen, ook zo hun typische Nederlandse uitdrukkingen als 'Die binnen bennen bennen binnen', 'Beter blode Jan dan dode Jan' en 'Niet van dat benauwde!' (waarop het koor van omstanders dan steevast reageerde met een luidkeels gezongen: 'Op het snerpst van de schede!'). Ik gebruik ze, een halve eeuw na dato, nog steeds wel eens.

Het schaakcafé is in 1972 noodgedwongen verhuisd naar elders en is de loop der jaren verworden tot een café dat zich in niets meer onderscheidt van andere cafés. En dat is zeer betreurenswaardig.


© 2017 Robert Rehm